1
zelfstandig naamwoord[C]
Lijst van punten die in een vergadering besproken of behandeld zullen worden.
/əˈdʒɛn.də/
Uitspraak
Etymologie
From Latin agenda, meaning “things to be done,” the neuter plural of agendus, from agere “to do, drive.”
Voorbeelden
The committee approved the agenda before the meeting.
/ðə kəˈmɪt.i əˈpruːvd ði əˈdʒɛn.də bɪˈfɔːr ðə ˈmiː.tɪŋ/
De commissie keurde de agenda goed vóór de vergadering.
What's on the agenda for today's staff meeting?
/wʌts ɑːn ði əˈdʒɛn.də fər təˈdeɪz stæf ˈmiː.tɪŋ/
Wat staat er op de agenda voor de personeelsvergadering van vandaag?
Collocaties
AI-gegenereerd