1
zelfstandig naamwoord[C]
Een plaats met start- en landingsbanen en gebouwen waar vliegtuigen opstijgen en landen en waar passagiers of vracht worden afgehandeld.
/ˈeər.pɔːrt/
Uitspraak
Etymologie
Vorming in het Engels uit air + port, oorspronkelijk verwijzend naar een plaats van aankomst en vertrek voor vliegtuigen.
Voorbeelden
The airport was crowded during the holiday weekend.
/ði ˈeər.pɔːrt wəz ˈkraʊ.dɪd ˈdʊr.ɪŋ ðə ˈhɑː.lə.deɪ ˈwiːk.end/
Het was druk op de luchthaven tijdens het feestweekend.
We arrived at the airport two hours before our flight.
/wi əˈraɪvd æt ði ˈeər.pɔːrt tuː ˈaʊ.ərz bɪˈfɔːr aʊər flaɪt/
We kwamen twee uur voor onze vlucht aan op de luchthaven.
A new airport will open outside the city next year.
/ə nuː ˈeər.pɔːrt wɪl ˈoʊ.pən ˌaʊtˈsaɪd ðə ˈsɪt.i nekst jɪr/
Volgend jaar wordt er buiten de stad een nieuwe luchthaven geopend.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd