1
zelfstandig naamwoord[U]
een gevoel van lichte boosheid of irritatie
/əˈnɔɪəns/
Uitspraak
Etymologie
Van annoy + -ance; annoy komt uit het Oudfrans anoier, uiteindelijk uit het Latijn in odio, wat ‘in haat’ of ‘hatelijk’ betekent.
Voorbeelden
Her constant humming was a minor annoyance during the exam.
/hɝ ˈkɑnstənt ˈhʌmɪŋ wəz ə ˈmaɪnɚ əˈnɔɪəns ˈdʊrɪŋ ði ɪɡˈzæm/
Zijn voortdurend gezoem was een kleine ergernis tijdens het examen.
To my annoyance, the train was delayed again.
/tu maɪ əˈnɔɪəns ðə treɪn wəz dɪˈleɪd əˈɡɛn/
Tot mijn ergernis had de trein opnieuw vertraging.
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd