1
werkwoord[T]
Iemand een taak, plicht, rol of stuk werk geven om te doen.
/əˈsaɪn/
Uitspraak
Etymologie
From Middle English assignen, from Old French assigner, from Latin assignare, meaning “to mark out, allot, assign.”
Voorbeelden
Please assign a mentor to each new employee.
/pliːz əˈsaɪn ə ˈmɛn.tɔːr tuː iːtʃ nuː ɛmˈplɔɪ.iː/
Geef alstublieft elke nieuwe werknemer een mentor.
The teacher assigned three chapters for homework.
/ðə ˈtiː.tʃər əˈsaɪnd θriː ˈtʃæp.tərz fər ˈhoʊmˌwɝːk/
De leraar gaf drie hoofdstukken op als huiswerk.
Collocaties
AI-gegenereerd