1
zelfstandig naamwoordzelfstandig naamwoord [C]
Een strook of stuk doek of ander materiaal dat wordt gebruikt om een gewond lichaamsdeel af te dekken, te beschermen of te ondersteunen.
/ˈbændɪdʒ/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Middelfrans bandage, van bande, wat ‘strook’ of ‘band’ betekent.
Voorbeelden
She wrapped a bandage around his ankle.
/ʃi ræpt ə ˈbændɪdʒ əˈraʊnd hɪz ˈæŋkəl/
Ze wikkelde een verband om zijn enkel.
The nurse changed the bandage twice a day.
/ðə nɝs tʃeɪndʒd ðə ˈbændɪdʒ twaɪs ə deɪ/
De verpleegkundige verving het verband twee keer per dag.
Collocaties
AI-gegenereerd