1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Het bereik van frequenties binnen een signaal, kanaal of transmissiesysteem, doorgaans gemeten in hertz.
/ˈbændˌwɪdθ/
Uitspraak
Etymologie
Vorming uit band, in de betekenis van een bereik van frequenties, + breedte; voor het eerst gebruikt in contexten van radio en telecommunicatie in het begin van de 20e eeuw.
Voorbeelden
This filter has a bandwidth of 20 kilohertz.
/ðɪs ˈfɪltər hæz ə ˈbændˌwɪdθ əv ˈtwɛnti ˈkɪloʊˌhɝts/
Dit filter heeft een bandbreedte van 20 kilohertz.
Engineers measured the bandwidth of the radio signal.
/ˌɛndʒəˈnɪrz ˈmɛʒərd ðə ˈbændˌwɪdθ əv ðə ˈreɪdioʊ ˈsɪɡnəl/
Ingenieurs maten de bandbreedte van het radiosignaal.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd