1
zelfstandig naamwoord[C]
Een vliegend insect met een harig lichaam dat zich voedt met nectar en stuifmeel; veel soorten leven in kolonies en sommige maken honing en was.
/biː/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels bēo, van Germaanse oorsprong; verwant aan het Nederlands bij en het Duitse Biene.
Voorbeelden
A bee landed on the lavender.
/ə biː ˈlændɪd ɑːn ðə ˈlævəndər/
Er landde een bij op de lavendel.
Bees make honey and pollinate flowers.
/biːz meɪk ˈhʌni ænd ˈpɑːləneɪt ˈflaʊərz/
Bijen maken honing en bestuiven bloemen.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd