1
zelfstandig naamwoord[C]
Een flexibele band of strook, vooral een die om de taille wordt gedragen om kleding op zijn plaats te houden of die wordt gebruikt om beweging over te brengen in een machine.
/bɛlt/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse belt, uiteindelijk van het Latijnse balteus, dat ‘riem’ of ‘gordel’ betekent.
Voorbeelden
He tightened his belt before leaving.
/hi ˈtaɪtənd hɪz bɛlt bɪˈfɔr ˈlivɪŋ/
Hij trok zijn riem strakker voordat hij vertrok.
Keep your hands away from the conveyor belt.
/kip jʊr hændz əˈweɪ frəm ðə kənˈveɪər bɛlt/
Houd je handen uit de buurt van de lopende band.
Collocaties
AI-gegenereerd