1
zelfstandig naamwoord[C]
Een voertuig met twee wielen, stuur en pedalen, dat je zittend op een zadel berijdt.
/ˈbaɪsɪkəl/
Uitspraak
Etymologie
From bi- meaning “two” + cycle, ultimately from Greek kyklos meaning “circle” or “wheel.”
Voorbeelden
The bicycle was leaning against the fence.
/ðə ˈbaɪsɪkəl wəz ˈliːnɪŋ əˈɡenst ðə fens/
De fiets leunde tegen het hek.
She rides her bicycle to work every day.
/ʃiː raɪdz hər ˈbaɪsɪkəl tə wɜːrk ˈevri deɪ/
Zij fietst elke dag naar haar werk.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd