1
werkwoord[T, I]
Iemand of iets met de tanden snijden, vastgrijpen of verwonden.
/baɪt/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengels bītan, van het Proto-Germaanse *bītaną, met de betekenis “bijten.”
Voorbeelden
The dog may bite if it feels threatened.
/ðə dɔɡ meɪ baɪt ɪf ɪt fiːlz ˈθretənd/
De hond kan bijten als hij zich bedreigd voelt.
Please don't bite your nails.
/pliːz doʊnt baɪt jʊr neɪlz/
Bijt alstublieft niet op uw nagels.
Collocaties
AI-gegenereerd