1
zelfstandig naamwoord[C]
Een document, gedrukt of elektronisch, dat bevestigt dat een passagier aan boord van een vliegtuig, trein, schip of ander vervoermiddel mag gaan.
/ˈbɔːrdɪŋ pæs/
Uitspraak
Etymologie
Een samenstelling van boarding, wat het aan boord gaan van een voertuig betekent, en pass, wat staat voor een vergunning of document dat toestemming geeft.
Voorbeelden
Please have your boarding pass ready at the gate.
/pliːz hæv jʊr ˈbɔːrdɪŋ pæs ˈrɛdi æt ðə ɡeɪt/
Zorg ervoor dat u uw instapkaart bij de gate bij de hand hebt.
I downloaded my boarding pass to my phone.
/aɪ ˌdaʊnˈloʊdɪd maɪ ˈbɔːrdɪŋ pæs tə maɪ foʊn/
Ik heb mijn instapkaart naar mijn telefoon gedownload.
She lost her boarding pass before the flight.
/ʃiː lɔːst hɚ ˈbɔːrdɪŋ pæs bɪˈfɔːr ðə flaɪt/
Ze verloor haar instapkaart vóór de vlucht.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd