1
zelfstandig naamwoordtelbaar [C]
Een van de harde, witachtige delen waaruit het skelet van een mens of dier bestaat.
/boʊn/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels bān, van Germaanse oorsprong; verwant aan Nederlands been en Duits Bein.
Voorbeelden
The dog buried a bone in the garden.
/ðə dɔɡ ˈberid ə boʊn ɪn ðə ˈɡɑrdən/
De hond begroef een been in de tuin.
She broke a bone in her wrist.
/ʃi broʊk ə boʊn ɪn hɚ rɪst/
Ze brak een been in haar pols.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd