1
zelfstandig naamwoord[C]
Iemand die leiding geeft aan werknemers of een organisatie; een werkgever, manager of toezichthouder.
/bɑːs/
Uitspraak
Etymologie
Van het Nederlandse baas, met de betekenis ‘meester’ of ‘opzichter’.
Voorbeelden
My boss approved the new schedule.
/maɪ bɑːs əˈpruːvd ðə nuː ˈskedʒuːl/
Mijn baas keurde het nieuwe rooster goed.
She asked her boss for a day off.
/ʃiː æskt hɚ bɑːs fɔːr ə deɪ ɔːf/
Ze vroeg haar baas om een dag vrij.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd