1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Een basisvoedsel gemaakt van meel, water en meestal gist, tot deeg vermengd en gebakken.
/brɛd/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse brēad, oorspronkelijk met de betekenis 'een stuk of hap voedsel'; later het gebakken voedsel gemaakt van graan.
Voorbeelden
She bought fresh bread from the bakery.
/ʃi bɔːt frɛʃ brɛd frəm ðə ˈbeɪkəri/
Ze kocht vers brood bij de bakkerij.
Would you like a slice of bread with your soup?
/wʊd ju laɪk ə slaɪs əv brɛd wɪð jʊr suːp/
Wil je een sneetje brood bij je soep?
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd