1
zelfstandig naamwoord[C]
Een schoonmaakgereedschap met een lange steel en stijve borstels of een borstel aan één uiteinde, gebruikt om vloeren of andere oppervlakken te vegen.
/bruːm/
Uitspraak
Etymologie
Afkomstig van Oudengels brōm, oorspronkelijk een verwijzing naar de bremstruik; het schoonmaakgereedschap werd traditioneel van de twijgen daarvan gemaakt.
Voorbeelden
She swept the kitchen floor with a broom.
/ʃiː swɛpt ðə ˈkɪtʃən flɔːr wɪð ə bruːm/
Ze veegde de keukenvloer met een bezem.
There's a broom in the closet.
/ðɛrz ə bruːm ɪn ðə ˈklɑːzɪt/
Er staat een bezem in de kast.
Collocaties
AI-gegenereerd