1
zelfstandig naamwoord[C]
Een toestel waarmee foto’s worden genomen of bewegende beelden worden opgenomen.
/ˈkæmərə/
Uitspraak
Etymologie
Van Latijn camera, wat “gewelfd vertrek” of “kamer” betekent, later gebruikt in de uitdrukking camera obscura, “donkere kamer”, voor een vroeg optisch toestel.
Voorbeelden
She packed a camera for the trip.
/ʃiː pækt ə ˈkæmərə fər ðə trɪp/
Ze pakte een camera in voor de reis.
The security camera recorded the whole scene.
/ðə sɪˈkjʊrəti ˈkæmərə rɪˈkɔːrdɪd ðə hoʊl siːn/
De beveiligingscamera legde de hele scène vast.
Keep the camera steady while you film.
/kiːp ðə ˈkæmərə ˈstedi waɪl juː fɪlm/
Houd de camera stil terwijl je filmt.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd