1
zelfstandig naamwoord[C]
Een staaf of blok van was met een lont erin, die wordt aangestoken om licht te geven of voor decoratie, geur of ceremonie.
/ˈkændəl/
Uitspraak
Etymologie
From Old English candel, from Latin candēla, from candēre meaning “to shine” or “to be white.”
Voorbeelden
She lit a candle during the power cut.
/ʃi lɪt ə ˈkændəl ˈdjʊrɪŋ ðə ˈpaʊər kʌt/
Ze stak een kaars aan tijdens de stroomstoring.
The room was filled with the scent of candles.
/ðə ruːm wəz fɪld wɪð ðə sent əv ˈkændəlz/
De kamer was gevuld met de geur van kaarsen.
Collocaties
AI-gegenereerd