1
werkwoord[T]
Iets vasthouden of ondersteunen terwijl je het van de ene plaats naar de andere verplaatst.
/ˈkæri/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Middelengelse carien, via het Anglo-Normandische en Oudnoordfranse carier, uit het Laatlatijn carricare, ‘een voertuig laden’, van het Latijnse carrus, ‘kar’.
Voorbeelden
She carried the sleeping child upstairs.
/ʃi ˈkærid ðə ˈsliːpɪŋ tʃaɪld ˌʌpˈstɛrz/
Ze droeg het slapende kind naar boven.
Can you carry this box for me?
/kæn ju ˈkæri ðɪs bɑːks fər mi/
Kun je deze doos voor me dragen?
Collocaties
AI-gegenereerd