1
zelfstandig naamwoordznw. [C]
Het bovenste binnenoppervlak van een kamer.
/ˈsiːlɪŋ/
Uitspraak
Etymologie
Van het Middelengelse celing, van ceil „de binnenkant van het dak bekleden of afdekken”, met -ing; uiteindelijk verwant aan het Oudfranse ciel, uit het Latijnse caelum „lucht, hemel”.
Voorbeelden
The ceiling in the kitchen needs painting.
/ðə ˈsiːlɪŋ ɪn ðə ˈkɪtʃən niːdz ˈpeɪntɪŋ/
Het plafond in de keuken moet worden geschilderd.
A fly was crawling across the ceiling.
/ə flaɪ wəz ˈkrɔːlɪŋ əˈkrɔːs ðə ˈsiːlɪŋ/
Een vlieg kroop over het plafond.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd