1
zelfstandig naamwoord[C]
Een verplaatsbare zitplaats voor één persoon, doorgaans met rugleuning en vier poten.
/tʃer/
Uitspraak
Etymologie
From Middle English chaire, from Old French chaiere, from Latin cathedra, from Greek kathedra meaning “seat.”
Voorbeelden
She pulled out a chair and sat down.
/ʃi pʊld aʊt ə tʃer ænd sæt daʊn/
Ze trok een stoel naar achteren en ging zitten.
The dining room has six chairs.
/ðə ˈdaɪnɪŋ ruːm hæz sɪks tʃerz/
De eetkamer heeft zes stoelen.
Collocaties
AI-gegenereerd