1
zelfstandig naamwoord[C]
Een klein, plat, meestal rond stuk metaal dat door de overheid wordt uitgegeven en als geld wordt gebruikt.
/kɔɪn/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudfranse coin, coing, oorspronkelijk met de betekenis ‘wig’ of ‘stempelmatrijs’, uit het Latijn cuneus, ‘wig’.
Voorbeelden
I found a coin under the sofa.
/aɪ faʊnd ə kɔɪn ˈʌndər ðə ˈsoʊfə/
Ik vond een munt onder de bank.
She dropped two coins into the fountain.
/ʃi drɑːpt tu kɔɪnz ˈɪntu ðə ˈfaʊntən/
Ze liet twee munten in de fontein vallen.
Collocaties
AI-gegenereerd