1
bijvoeglijk naamwoordzich zeker voelend of tonend over iemands eigen vermogens, kwaliteiten of oordeel
/ˈkɑːn.fɪ.dənt/
Uitspraak
Etymologie
Van Latijn confīdens, tegenwoordig deelwoord van confīdere, met de betekenis “volledig vertrouwen”, via Frans confident.
Voorbeelden
She felt confident before the interview.
/ʃi fɛlt ˈkɑːn.fɪ.dənt bɪˈfɔːr ði ˈɪn.tər.vjuː/
Ze voelde zich zelfverzekerd voor het sollicitatiegesprek.
He's a confident speaker who engages the audience.
/hiːz ə ˈkɑːn.fɪ.dənt ˈspiː.kər huː ɪnˈɡeɪdʒɪz ði ˈɑː.di.əns/
Hij is een zelfverzekerde spreker die het publiek boeit.
Collocaties
AI-gegenereerd