1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Het bedrag aan geld dat nodig is om iets te kopen, doen, maken of verkrijgen.
/kɔst/
Uitspraak
Etymologie
From Middle English cost, from Old French cost, from Latin constare, meaning “to stand at, cost.”
Voorbeelden
The cost of living has risen sharply.
/ðə kɔst əv ˈlɪvɪŋ hæz ˈrɪzən ˈʃɑrpli/
De kosten van levensonderhoud zijn sterk gestegen.
We must reduce the cost of production.
/wi mʌst rɪˈdus ðə kɔst əv prəˈdʌkʃən/
We moeten de productiekosten verlagen.
Collocaties
AI-gegenereerd