1
zelfstandig naamwoord[C]
Een zacht kussen of een zachte opvulpad gevuld met materiaal zoals schuim, veren of vezels, gebruikt om op te zitten, tegenaan te leunen of ter versiering.
/ˈkʊʃən/
Uitspraak
Etymologie
Van Middelengels cushin, uit Oudfrans coissin, uiteindelijk uit Latijn coxa, wat ‘heup’ betekent.
Voorbeelden
The sofa needs a new cushion.
/ðə ˈsoʊfə niːdz ə nuː ˈkʊʃən/
De bank heeft een nieuw kussen nodig.
She put a cushion behind her back.
/ʃi pʊt ə ˈkʊʃən bɪˈhaɪnd hər bæk/
Ze legde een kussen achter haar rug.
Collocaties
AI-gegenereerd