1
werkwoord[I]
een plaats verlaten, vooral om aan een reis te beginnen.
/dɪˈpɑːrt/
Uitspraak
Etymologie
Van het Middelengelse departen, uit het Oudfranse departir, uit het Latijnse departīrī, met de betekenis ‘verdelen’ of ‘scheiden’.
Voorbeelden
The train will depart from platform six at noon.
/ðə treɪn wɪl dɪˈpɑːrt frəm ˈplætfɔːrm sɪks æt nuːn/
De trein vertrekt om twaalf uur vanaf perron zes.
She departed for Paris early in the morning.
/ʃi dɪˈpɑːrtɪd fər ˈpærɪs ˈɜːrli ɪn ðə ˈmɔːrnɪŋ/
Zij vertrok vroeg in de ochtend naar Parijs.
Collocaties
AI-gegenereerd