1
zelfstandig naamwoord[C]
Iemand die bevoegd is om geneeskunde te beoefenen en zieke of gewonde mensen te behandelen.
/ˈdɑːktər/
Uitspraak
Etymologie
Van het Middelengels doctour, via het Oudfrans doctour, uit het Latijn doctor, dat ‘leraar’ betekent, van docēre, ‘onderwijzen’.
Voorbeelden
You should see a doctor about that cough.
/juː ʃʊd siː ə ˈdɑːktər əˈbaʊt ðæt kɔːf/
Je zou met die hoest naar een dokter moeten gaan.
The doctor prescribed antibiotics.
/ðə ˈdɑːktər prɪˈskraɪbd ˌæntiˌbaɪˈɑːtɪks/
De dokter schreef antibiotica voor.
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd