1
zelfstandig naamwoord[C]
Een gedomesticeerd vleesetend zoogdier, dat vaak als huisdier wordt gehouden of wordt gebruikt voor werk zoals bewaking, jacht of hoeden.
/dɔɡ/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengelse docga, oorspronkelijk verwijzend naar een krachtig hondenras; verwante termen hebben het oudere algemene woord hund in veel gebruik vervangen.
Voorbeelden
The dog barked at the mail carrier.
/ðə dɔɡ bɑrkt æt ðə ˈmeɪl ˌkæriər/
De hond blafte naar de postbode.
She adopted a dog from the shelter.
/ʃi əˈdɑptɪd ə dɔɡ frəm ðə ˈʃɛltər/
Ze adopteerde een hond uit het asiel.
Collocaties
AI-gegenereerd