1
zelfstandig naamwoordtelbaar [C]
Een meubelstuk voor in de slaapkamer met laden om kleding in op te bergen; vaak een ladekast, soms met een spiegel.
/ˈdrɛsər/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Middelengels dresser, van het Oudfranse dressoir, verwant aan dresser in de betekenis ‘ordenen, voorbereiden, op zijn plaats zetten’.
Voorbeelden
She folded the sweaters and put them in the dresser.
/ʃi ˈfoʊldəd ðə ˈswɛtərz ænd pʊt ðɛm ɪn ðə ˈdrɛsər/
Ze vouwde de truien op en legde ze in de ladekast.
The top drawer of the dresser was stuck.
/ðə tɑp drɔr əv ðə ˈdrɛsər wəz stʌk/
De bovenste lade van de ladekast zat vast.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd