1
zelfstandig naamwoord[C]
Een van de organen aan de zijkanten van het hoofd waarmee je hoort en je evenwicht bewaart, inclusief het uitwendige zichtbare deel.
/ɪr/
Uitspraak
Etymologie
Van Oudengels ēare, uit een Germaanse wortel verwant aan Nederlands oor en Duits Ohr.
Voorbeelden
The child covered her ears during the fireworks.
/ðə tʃaɪld ˈkʌvərd hər ɪrz ˈdʊrɪŋ ðə ˈfaɪərˌwɝks/
Het kind hield haar oren dicht tijdens het vuurwerk.
He whispered into my ear.
/hi ˈwɪspərd ˈɪntu maɪ ɪr/
Hij fluisterde in mijn oor.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd