1
zelfstandig naamwoordtelbaar [C]
Het orgaan van het zien bij mensen en dieren.
/aɪ/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels ēage, uit het Proto-Germaans *augō; verwant aan Duits Auge en Nederlands oog.
Voorbeelden
He got dust in his eye.
/hi ɡɑt dʌst ɪn hɪz aɪ/
Er kwam stof in zijn oog.
She has blue eyes.
/ʃi hæz blu aɪz/
Zij heeft blauwe ogen.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd