1
zelfstandig naamwoordTelbaar [C]
Het voorste deel van het hoofd, met de ogen, neus, mond en kin.
/feɪs/
Uitspraak
Etymologie
Van Middelengels face, uit Oudfrans face, uit Latijn faciēs, wat ‘vorm, uiterlijk, gezicht’ betekent.
Voorbeelden
She washed her face before bed.
/ʃi wɑʃt hɝ feɪs bɪˈfɔr bɛd/
Ze waste haar gezicht voor het slapengaan.
A smile spread across his face.
/ə smaɪl sprɛd əˈkrɔs hɪz feɪs/
Een glimlach verspreidde zich over zijn gezicht.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd