1
werkwoord[I, T]
Deelnemen aan lichamelijk geweld of gevecht tegen iemand of iets.
/faɪt/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse feohtan, met de betekenis “vechten”, van Germaanse oorsprong.
Voorbeelden
The two boys started to fight after school.
/ðə tuː bɔɪz ˈstɑːrtɪd tu faɪt ˈæftər skuːl/
De twee jongens begonnen na school te vechten.
The soldiers were ready to fight at dawn.
/ðə ˈsoʊldʒərz wər ˈrɛdi tu faɪt æt dɔːn/
De soldaten waren bij zonsopgang klaar om te vechten.
Collocaties
AI-gegenereerd