1
werkwoord[T, I]
de juiste maat of vorm hebben voor iemand of iets.
/fɪt/
Uitspraak
Etymologie
Middelengels fitten, van onzekere oorsprong, geassocieerd met het idee van passend of geschikt zijn.
Voorbeelden
These shoes fit perfectly.
/ðiːz ʃuːz fɪt ˈpɝː.fɪkt.li/
Deze schoenen passen perfect.
The key does not fit the lock.
/ðə kiː dʌz nɑːt fɪt ðə lɑːk/
De sleutel past niet op het slot.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd