1
zelfstandig naamwoordtelbaar [C]
een grote hoeveelheid water die een gebied bedekt dat normaal droog is
/flʌd/
Uitspraak
Etymologie
Oudengels flōd, van een Germaanse wortel die “stromend water” of “zondvloed” betekent.
Voorbeelden
The flood destroyed several homes.
/ðə flʌd dɪˈstrɔɪd ˈsɛvərəl hoʊmz/
De overstroming verwoestte verschillende huizen.
After the storm, the river was in flood.
/ˈæftər ðə stɔrm ðə ˈrɪvər wəz ɪn flʌd/
Na de storm stond de rivier buiten haar oevers.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd