1
zelfstandig naamwoord[C]
Het vlakke onderste oppervlak van een kamer, waarop mensen staan of lopen.
/flɔːr/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels flōr, met de betekenis „vloer, bestrating”, uit Proto-Germaanse oorsprong.
Voorbeelden
She swept the floor before dinner.
/ʃi swept ðə flɔːr bɪˈfɔːr ˈdɪnər/
Zij veegde de vloer schoon voor het avondeten.
The children sat on the floor and played cards.
/ðə ˈtʃɪldrən sæt ɑːn ðə flɔːr ænd pleɪd kɑːrdz/
De kinderen zaten op de vloer en speelden kaarten.
Collocaties
AI-gegenereerd