1
werkwoord[I]
Zich door de lucht verplaatsen met behulp van vleugels, of door de lucht reizen.
/flaɪ/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse flēogan, wat ‘vliegen’ betekent.
Voorbeelden
Birds fly south in winter.
/bɝdz flaɪ saʊθ ɪn ˈwɪntər/
Vogels vliegen in de winter naar het zuiden.
The plane will fly over the mountains.
/ðə pleɪn wɪl flaɪ ˈoʊvər ðə ˈmaʊntənz/
Het vliegtuig zal over de bergen vliegen.
Collocaties
AI-gegenereerd