1
zelfstandig naamwoordtelbaar [C]
Een gebouw of een deel van een gebouw waar een auto of ander voertuig wordt gestald.
/ɡəˈrɑːʒ/, /ˈɡærɑːʒ/
Uitspraak
Etymologie
Ontleend aan het Franse garage, van garer, wat ‘onderdak bieden, aanleggen of beschermen’ betekent.
Voorbeelden
We keep the bikes in the garage.
/wiː kiːp ðə baɪks ɪn ðə ɡəˈrɑːʒ/
We zetten de fietsen in de garage.
She converted the garage into a small studio.
/ʃiː kənˈvɝːtɪd ðə ɡəˈrɑːʒ ˈɪntu ə smɔːl ˈstuːdiˌoʊ/
Ze verbouwde de garage tot een kleine studio.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd