1
zelfstandig naamwoord[U]
Een gewone groene plant met smalle bladeren die groeit in velden, op gazons en in weilanden.
/ɡræs/, /ɡrɑːs/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels græs, van Germaanse oorsprong.
Voorbeelden
The grass was wet with morning dew.
/ðə ɡræs wəz wɛt wɪð ˈmɔrnɪŋ duː/
Het gras was nat van de ochtenddauw.
Cows eat grass in the field.
/kaʊz iːt ɡræs ɪn ðə fiːld/
Koeien eten gras in het veld.
Collocaties
AI-gegenereerd