1
zelfstandig naamwoord[U]
Het vaste oppervlak van de aarde; land in tegenstelling tot lucht of water.
/ɡraʊnd/
Uitspraak
Etymologie
Oudengels grund, met de betekenis ‘bodem, fundament, aarde’; verwant aan Duits Grund.
Voorbeelden
The children sat on the ground under the tree.
/ðə ˈtʃɪldrən sæt ɑn ðə ɡraʊnd ˈʌndər ðə tri/
De kinderen zaten op de grond onder de boom.
The plane was already high above the ground.
/ðə pleɪn wəz ɔlˈrɛdi haɪ əˈbʌv ðə ɡraʊnd/
Het vliegtuig was al hoog boven de grond.
Collocaties
AI-gegenereerd