1
zelfstandig naamwoord[C]
Een van twee gelijke of bijna gelijke delen waarin iets kan worden verdeeld.
/hæf/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels healf, van Germaanse oorsprong; verwant aan het Nederlandse half en het Duitse halb.
Voorbeelden
Cut the apple in half.
/kʌt ði ˈæpəl ɪn hæf/
Snijd de appel doormidden.
The first half ended without a goal.
/ðə fɝst hæf ˈɛndəd wɪˈðaʊt ə ɡoʊl/
De eerste helft eindigde zonder doelpunt.
Collocaties
AI-gegenereerd