1
zelfstandig naamwoord[C]
Een grote ruimte die wordt gebruikt voor vergaderingen, plechtigheden, maaltijden, concerten of andere openbare evenementen.
/hɔːl/
Uitspraak
Etymologie
Old English heall, from Proto-Germanic; related to German Halle and Dutch hal.
Voorbeelden
The awards ceremony was held in the main hall.
/ðə əˈwɔːrdz ˈsɛrəˌmoʊni wəz hɛld ɪn ðə meɪn hɔːl/
De prijsuitreiking vond plaats in de grote zaal.
Hundreds of guests filled the hall.
/ˈhʌndrədz əv ɡɛsts fɪld ðə hɔːl/
Honderden gasten vulden de zaal.
Collocaties
AI-gegenereerd