1
zelfstandig naamwoord[C]
Het uiteinde van de menselijke arm, inclusief de handpalm, vingers en duim.
/hænd/
Uitspraak
Etymologie
From Old English hand, hond, of Germanic origin; related to Dutch hand and German Hand.
Voorbeelden
She raised her hand to ask a question.
/ʃi reɪzd hɚ hænd tu æsk ə ˈkwɛs.tʃən/
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.
Hold my hand when we cross the street.
/hoʊld maɪ hænd wɛn wi krɔs ðə striːt/
Houd mijn hand vast als we de straat oversteken.
Collocaties
AI-gegenereerd