1
zelfstandig naamwoord[C]
Een gevormde hoofdbedekking, meestal met een rand en bol, gedragen voor warmte, bescherming, mode of als onderdeel van een uniform.
/hæt/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels hætt, uit het Proto-Germaans; verwant aan het Oudnoorse hattr en het Duitse Hut.
Voorbeelden
She wore a red hat to the wedding.
/ʃi wɔr ə rɛd hæt tə ðə ˈwɛdɪŋ/
Zij droeg een rode hoed naar de bruiloft.
Please take off your hat indoors.
/pliːz teɪk ɔf jʊr hæt ˌɪnˈdɔrz/
Doe je hoed alstublieft af binnen.
Collocaties
AI-gegenereerd