1
zelfstandig naamwoordtelbaar zelfstandig naamwoord [C]
Een gebogen of omgebogen stuk metaal, plastic of ander materiaal dat wordt gebruikt om dingen op te hangen, vast te houden of te vangen.
/hʊk/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels hōc, met de betekenis 'haak' of 'gebogen werktuig'; verwant aan Middelnederlands hoec en Duits Haken.
Voorbeelden
Hang your coat on the hook by the door.
/hæŋ jʊr koʊt ɑn ðə hʊk baɪ ðə dɔr/
Hang je jas aan de haak bij de deur.
The fish swallowed the hook.
/ðə fɪʃ ˈswɑloʊd ðə hʊk/
De vis slikte de haak in.
Collocaties
AI-gegenereerd