1
zelfstandig naamwoordzelfstandig naamwoord [C]
Een harde, spitse uitgroei op de kop van sommige dieren, zoals runderen, geiten, schapen of neushoorns.
/hɔːrn/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels horn, uit het Proto-Germaans; verwant aan het Latijnse cornu, dat ‘hoorn’ betekent.
Voorbeelden
The goat caught its horn in the fence.
/ðə ɡoʊt kɔːt ɪts hɔːrn ɪn ðə fɛns/
De geit bleef met haar hoorn in het hek haken.
Rhinos are hunted for their horns.
/ˈraɪnoʊz ɑːr ˈhʌntɪd fər ðer hɔːrnz/
Neushoorns worden bejaagd om hun hoorns.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd