1
zelfstandig naamwoordtelbaar [C]
een groot gedomesticeerd zoogdier met hoeven, een manen en een staart, gebruikt om op te rijden, te racen, lasten te dragen of voertuigen voort te trekken
/hɔːrs/
Uitspraak
Etymologie
Oudengels hors, van Germaanse oorsprong; verwant aan het Nederlandse paard en in historische gebruik aan het Duitse Ross.
Voorbeelden
The horse galloped across the field.
/ðə hɔːrs ˈɡæləpt əˈkrɔːs ðə fiːld/
Het paard galoppeerde over het veld.
She learned to ride a horse when she was eight.
/ʃiː lɜːrnd tə raɪd ə hɔːrs wɛn ʃiː wəz eɪt/
Ze leerde op een paard rijden toen ze acht was.
Collocaties
AI-gegenereerd