1
zelfstandig naamwoord[C]
Een commerciële inrichting die onderdak biedt, meestal met maaltijden en andere diensten, voor reizigers en gasten.
/hoʊˈtɛl/
Uitspraak
Etymologie
Uit Frans hôtel, uit Oudfrans hostel, uit Middeleeuws Latijn hospitale, met de betekenis een plaats voor gasten of reizigers.
Voorbeelden
We stayed at a hotel near the station.
/wi steɪd æt ə hoʊˈtɛl nɪr ðə ˈsteɪʃən/
We verbleven in een hotel bij het station.
The hotel has a pool and free breakfast.
/ðə hoʊˈtɛl hæz ə pul ænd fri ˈbrɛkfəst/
Het hotel heeft een zwembad en gratis ontbijt.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd