1
zelfstandig naamwoord[U]
Sierlijke voorwerpen die men draagt ter persoonlijke versiering, zoals ringen, kettingen, armbanden en oorbellen; vooral de Amerikaanse spelling van het Britse “jewellery”.
/ˈdʒuːəlri/
Uitspraak
Etymologie
From jewel + -ry; “jewel” comes through Old French from Latin iocale, meaning “plaything” or “ornament.”
Voorbeelden
She wore simple silver jewelry to the wedding.
/ʃi wɔr ˈsɪmpəl ˈsɪlvər ˈdʒuːəlri tə ðə ˈwɛdɪŋ/
Ze droeg eenvoudige zilveren sieraden naar de bruiloft.
The store sells handmade jewelry and watches.
/ðə stɔr sɛlz ˌhændˈmeɪd ˈdʒuːəlri ænd ˈwɑtʃɪz/
De winkel verkoopt handgemaakte sieraden en horloges.
Her jewelry was kept in a small wooden box.
/hɜr ˈdʒuːəlri wəz kɛpt ɪn ə smɔl ˈwʊdən bɑks/
Haar sieraden werden bewaard in een klein houten kistje.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd