1
werkwoord[T, I]
Van een plaats of persoon weggaan; vertrekken.
/liːv/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengels lǣfan, met de betekenis ‘achterlaten, blijven, nalaten’, verwant aan Proto-Germaanse vormen met de betekenis ‘blijven’.
Voorbeelden
She plans to leave at dawn.
/ʃiː plænz tə liːv æt dɔːn/
Ze is van plan bij zonsopgang te vertrekken.
Please leave before the meeting starts.
/pliːz liːv bɪˈfɔːr ðə ˈmiːtɪŋ stɑːrts/
Ga alstublieft weg voordat de vergadering begint.
Collocaties
AI-gegenereerd