1
zelfstandig naamwoord[C]
Een apparaat om een deur, deksel, container of voertuig vast te zetten, zodat het alleen met een sleutel, code of ander mechanisme geopend kan worden.
/lɑːk/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse loc, met de betekenis ‘een sluiting’ of ‘omheining’; verwant aan het Oudnoorse lok en het Duitse Loch in oudere betekenissen van sluiting of opening.
Voorbeelden
She turned the key in the lock and opened the door.
/ʃiː tɝːnd ðə kiː ɪn ðə lɑːk ænd ˈoʊpənd ðə dɔːr/
Zij draaide de sleutel in het slot om en opende de deur.
The suitcase has a small combination lock.
/ðə ˈsuːtkeɪs hæz ə smɔːl ˌkɑːmbəˈneɪʃən lɑːk/
De koffer heeft een klein cijferslot.
Collocaties
AI-gegenereerd